De overgang is geen moment maar een proces dat zich over jaren afspeelt. Het begint lang voordat de menstruatie stopt en eindigt niet op de dag dat ze definitief uitblijft. Er zijn drie duidelijk te onderscheiden fases, elk met een eigen fysiologisch profiel.
1. Perimenopauze
De perimenopauze begint gemiddeld vier tot acht jaar voor de menopauze, soms al vanaf het veertigste levensjaar. In deze fase schommelt de oestrogeenproductie grillig. Niet geleidelijk en voorspelbaar, maar onregelmatig. De ene maand hoog, de andere laag. Die schommelingen zijn de reden waarom de perimenopauze voor veel vrouwen onrustiger aanvoelt dan de menopauze zelf.
De cyclus wordt onregelmatig, soms korter, soms langer. Menstruaties kunnen heviger of juist lichter worden. Wisselende stemmingen, veranderde slaap en warmteopwellingen beginnen vaak al in deze fase.
Wat de perimenopauze lastig herkenbaar maakt is dat deze verschijnselen overlappen met andere oorzaken zoals stress of slaaptekort.
2. Menopauze
De menopauze is geen fase maar een moment: de dag waarop een vrouw twaalf opeenvolgende maanden geen menstruatie heeft gehad. Gemiddeld ligt dat moment rond het 51e levensjaar, maar er is grote variatie. Vroege menopauze, voor het 40e levensjaar, komt voor bij ongeveer één procent van de vrouwen.
Op dat moment is de oestrogeenproductie significant gedaald. De eierstokken produceren nauwelijks nog oestrogeen. Het lichaam compenseert deels via vetweefsel dat oestrogeen aanmaakt via aromatisering, maar die compensatie is beperkt.
Oestrogeen heeft receptoren in vrijwel elk orgaansysteem. De daling raakt daardoor niet alleen de voortplanting maar het hele lichaam: de huid, de slijmvliezen, de stofwisseling en de vetverdeling veranderen allemaal als uiting van hetzelfde fysiologische proces.
3. Postmenopauze
Na de menopauze stabiliseren de hormoonspiegels op een permanent lager niveau. De acute onrust van de perimenopauze neemt af, maar de structurele gevolgen van langdurig lagere oestrogeenspiegels worden relevanter naarmate de tijd vordert.
Botdichtheid verandert doordat oestrogeen de botafbraak remt. Zonder dat remmende effect versnelt de botafbraak, met name in de eerste jaren na de menopauze. Cardiovasculaire gezondheid verandert omdat oestrogeen een gunstig effect heeft op de bloedvatenwanden en op de verhouding tussen LDL en HDL cholesterol. Na de menopauze verdwijnt dat effect geleidelijk.
Cognitieve functie is een derde gebied: oestrogeen speelt een rol in de doorbloeding van de hersenen en in neurotransmittersystemen die geheugen en concentratie reguleren.